Scheidsrechtersvereniging

de Langstraat

Agenda

  

Word lid van de COVS

Kalender

Verjaardagen


binnenkort jarig:

Sport algemeen 

Protocol "Samenwerking scheidsrechter en assistent-scheidsrechter"

 

Inleiding 
In dit bijgewerkte protocol zijn de nieuwste richtlijnen van FIFA, UEFA en KNVB verwerkt. Op een aantal onderdelen is er afwijking ten opzichte van de internationale instructies. Reden is dat wij van mening zijn dat onze richtlijnen op die punten beter functioneren. De assistent-scheidsrechter van deze tijd toont moed en neemt initiatief, maar kent ook zijn plaats in het team. Dit protocol is bedoeld om de samenwerking te uniformeren en te perfectioneren.
De scheidsrechter moet niet alleen aan het vlagsignaal (recht omhoog of wapperen) of ondersteunend piepsignaal kunnen zien wat de assistent-scheidsrechter heeft geconstateerd, maar ook aan zijn lichaamshouding (bijvoorbeeld aangeven hoekschop, doelschop, strafschop) en zijn loopacties (bijvoorbeeld na gescoord doelpunt, aangeven overtreding binnen of buiten 16m, etc.).
Vlagsignalen moeten resoluut, duidelijk waarneembaar en adviserend zijn. Discrete hand- en/of armgebaren kunnen voor de scheidsrechter een belangrijke extra steun zijn. Daarnaast geldt het advies aan de ASR de vlag zoveel mogelijk aan de speelveldzijde vast te houden, zodat de vlag voor de SR altijd zichtbaar is. Echter, het allerbelangrijkste is de juistheid van het advies of om het populair te zeggen: "Goed gaat voor mooi"!

 

Voor aanvang in kleedkamer 
• verplichte afspraken maken met SR;
• controle op werking van de piepvlaggen;
• controle op uitzetten mobiele telefoons.

 

Spelerwisselingen en terugkeer geblesseerde spelers 
• de spelerswissel aangeven door middel van het voorgeschreven vlagsignaal van de eerste assistent;
• het is wenselijk dat voornoemd signaal door de tweede assistent wordt overgenomen. In specifieke situaties kan tweede assistent ook het initiatief nemen;
• aandacht trekken van de scheidsrechter, indien een behandelde speler wil terugkeren in het speelveld;

Uitrusting van de spelers
• de scheidsrechter erop attenderen, indien de uitrusting tot verwarring kan leiden;
• noppencontrole uitvoeren;
• controle uitvoeren op het dragen van scheenbeschermers, slidingbroeken en sieraden.

 

De duur van de wedstrijd
• tijd "meeklokken";
• er op attent zijn, dat de scheidsrechter tijdig aan de wisselfunctionaris de extra speeltijd aangeeft, anders met piepsignaal hier op attenderen.

 

Het begin en de hervatting van het spel
• na gezamenlijk betreden van het speelveld en voorafgaande aan de toss, "handjes schudden";
• vervolgens de nettencontrole (geen reclame, logo's, camera's);
• vervolgens opstellen ter hoogte van de voorlaatste verdediger;
• laatste controle op werking van de piepvlaggen na signaal van de scheidsrechter.

De inworp
• langs gehele zijlijn onmiddellijk de richting aangeven;
• bij twijfel vlag omhoog in de hand van de richting waar men denkt dat de inworp naar toe moet;
• discreet handgebaar bij "net niet situaties";
• de scheidsrechter en assistent-scheidsrechters letten op correcte uitvoering van de inworp;
• de assistent-scheidsrechter kan de plaats aangeven waar de inworp dient te worden genomen door te blijven staan op de plaats waar de bal het speelveld verliet; de assistent-scheidsrechter gaat niet voor de speler die inwerpt staan;
• in het algemeen: oogcontact houden en seconde bedenktijd nemen.

 

Doelpunt
• de assistent-scheidsrechter staat op de doellijn en de scheidsrechter is niet in de positie om zelf het doelpunt te constateren:
- vlag korte duur rechtstandig omhoog en piepen en vervolgens naar het midden wijzen;
- korte duur op de doellijn blijven staan ter demonstratie van de goede positie;
- vervolgens, zonder te vlaggen, rustige looppas in de richting van de middenlijn lopen;
• de scheidsrechter kent doelpunt toe: de assistent-scheidsrechter gaat onmiddellijk naar positie "halfweg";
• bij geen doelpunt: vlag langs het lichaam houden en eventueel discreet gebaar;
• bij de loopactie naar de positie “halfweg” houdt de assistent-scheidsrechter zijn zicht op het speelveld om eventuele onregelmatigheden (shirt over het hoofd, opstootje e.d.) te kunnen waarnemen.

 

Buitenspel
• bij strafbaar buitenspel vlag rechtstandig omhoog: na fluitsignaal plaats op voorgeschreven wijze aangeven. De assistent-scheidsrechter blijft staan ter hoogte van de plaats waar de spelhervatting moet worden genomen en kiest weer positie zodra de bal op de juiste plek ligt;
• bij voordeelregel (ook zelf meenemen in advies) oogcontact: signaal van doorspelen van de scheidsrechter;
• de scheidsrechter en de assistent-scheidsrechter op één lijn: fluiten en vlaggen (niet denken dat de ander wel actie zal ondernemen);
• indien de scheidsrechter duidelijk aangeeft dat hij door laat spelen bij vlagsignaal (bijvoorbeeld bal komt van verdediger of er is geen sprake van buitenspel): onmiddellijk de vlag naar beneden;
• bij schoten uit de tweede lijn: alleen vlaggen indien de doelverdediger in zijn spel wordt beïnvloed; neem seconde bedenktijd, let op reactie scheidsrechter. De scheidsrechter moet zich realiseren dat de assistent-scheidsrechter niet altijd de juiste diepte kan inschatten en dat hij in deze gevallen ook zelf zijn verantwoording moet nemen;
• indien de scheidsrechter vlagsignaal niet ziet of piep niet hoort en er volgt geen gevaarlijke situatie: vlag naar beneden;

De vrije schoppen
• actief meedoen, maar met een zekere terughoudendheid is het motto voor de assistent-scheidsrechter bij het aangeven van vrije schoppen;
• overtredingen binnen het eigen werkveld, niet zichtbaar voor de scheidsrechter, moeten gesignaleerd worden. Overtredingen buiten het eigen werkgebied (tot lijn van het strafschopgebied) moetenalleen worden gesignaleerd, indien de scheidsrechter om advies vraagt of als het buiten het waarnemingsgebied van de scheidsrechter valt. Het werkgebied van de assistent-scheidsrechter wordt groter naarmate de scheidsrechter zich verder van de situatie bevindt. Piepen en niet vlaggen is daarbij het eerste communicatiemiddel;
• onder andere bij pittige overtredingen, bij beslissingen waar veel reactie van spelers/publiek te verwachten is en bij "moeilijke" periodes in wedstrijden moet ondersteunend worden gevlagd;
• in de nabijheid van de assistent-scheidsrechter: vlagsignaal (wapperen) + richting en piepen (niet overdrijven met handen; nooit te dwingend);
• alleen in of onmiddellijk na het fluitsignaal, indien het in de nabijheid is en het de beslissing van de scheidsrechter versterkt: vlagsignaal (wapperen) en richting aangeven, niet piepen;
• bij "zekere" rode kaart en cruciale situaties buiten het waarnemingsgebied van de scheidsrechter moet de assistent-scheidsrechter zijn verantwoordelijkheid nemen: (blijven) vlaggen en (blijven) piepen;
• bij het constateren van overtredingen moet de assistent-scheidsrechter er rekening mee houden dat een mogelijke (duidelijke) voordeelregel kan optreden. Ook hier geldt even wachten is beter dan direct te vlaggen;
• bij voordeelregel toepassing door de scheidsrechter moet assistent-scheidsrechter zijn vlag onmiddellijk naar beneden doen;
• de 9.15 meter afstand binnen het werkgebied van de assistent-scheidsrechter: indien noodzakelijk spelers verbaal afstand aangeven. Het speelveld niet betreden, tenzij daar aanleiding voor is;
• de scheidsrechter behoudt vanuit zijn eindverantwoordelijkheid te allen tijde de bevoegdheid een advies van een assistent-scheidsrechter niet over te nemen.
• Opstelling bij vrije schoppen met een muur: voorlaatste verdediger, tenzij de


scheidsrechter in uitzonderlijke gevallen anders aangeeft.

De strafschop
• de eerste en uiteindelijke verantwoordelijkheid ligt bij de scheidsrechter;
• ingrijpen door de assistent-scheidsrechter uitsluitend onder bijzondere omstandigheden en indien de scheidsrechter op grote afstand staat, zich in een verkeerde positie bevindt of nadrukkelijk om advies van de assistent-scheidsrechter vraagt. In al deze gevallen is piepen het eerste contactmiddel;
• overtredingen buiten / binnen het strafschopgebied:

buiten: blijven staan c.q. teruglopen naar het verlengde van de zestienmeterlijn; binnen: doorlopen naar de hoekvlaggenstok (niet dwingend) en gelijktijdig piepen;
• als de assistent-scheidsrechter ervan overtuigd is, dat de scheidsrechter een strafschop dient toe te kennen en de scheidsrechter legt de bal buiten het strafschopgebied, dan dient de assistent-scheidsrechter door te lopen en te piepen;
• als de assistent-scheidsrechter ervan overtuigd is, dat de scheidsrechter ten onrechte een strafschop heeft toegekend omdat de overtreding buiten het strafschopgebied heeft plaatsgevonden, dan dient de assistent-scheidsrechter te blijven staan en te piepen;
• het oordeel van de scheidsrechter is te allen tijde doorslaggevend;
• de positie van de assistent-scheidsrechter bij een strafschop is op het snijpunt van de doellijn en de lijn van het strafschopgebied;
• de scheidsrechter is verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de strafschop (inclusief bewegen keeper en inlopen spelers);
• de assistent-scheidsrechter op de doellijn dient in twijfelgeval aan te geven of de bal geheel en al over de doellijn is gegaan door vlag korte duur rechtstandig omhoog te houden, te piepen en vervolgens naar het midden wijzen; vervolgens, zonder te vlaggen, rustige looppas in de richting van de middenlijn.
• de scheidsrechter is verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de strafschop (inclusief bewegen doelverdediger)

Strafschoppenserie
• taken van de assistent-scheidsrechter bij een strafschoppenserie: lijnbewaking op de doellijn, respectievelijk controle van de spelers in de middencirkel;
• de positie van de assistent-scheidsrechter bij een strafschoppenserie is op het snijpunt van de doellijn en de lijn van het doelgebied;
• de positie van de assistent-scheidsrechter in de middencirkel is zodanig dat hij zicht heeft op alle spelers.

De doelschop
• bal over de doellijn nabij de assistent-scheidsrechter: vlag rechtstandig omhoog en onmiddellijk naar het doel wijzen, positie in nabijheid hoekvlag, zodat scheidsrechter ook aan lichaamstaal/positie kan zien, dat er een doelschop wordt gegeven;
• bij schot van grote afstand mag signaal voor doelschop worden gegeven ter hoogte van 5-meter lijn;
• bal over de doellijn in de diagonaal van de scheidsrechter: vlag rechtstandig omhoog; scheidsrechter geeft doelschop aan; daarna wijzen naar het doel;
• assistent-scheidsrechter dient aandacht te schenken aan het correct nemen van de doelschop; Prioriteit heeft echter buitenspel en de assistent-scheidsrechter dient tijdig zijn positie ter beoordeling van buitenspel te hebben ingenomen.

De uittrap van de doelverdediger
• de doelverdediger overschrijdt met de bal in zijn handen de lijn van het strafschopgebied; alleen ingrijpen door de assistent-scheidsrechter in overduidelijke situaties (bij 'millimeterwerk' roepen naar de doelverdediger);
• dringend advies: eerst trachten verbaal contact te maken met doelverdediger, eventueel in pauze scheidsrechter hierop attenderen;
• assistent-scheidsrechter dient aandacht te schenken aan het correct uittrappen; Prioriteit heeft echter buitenspel en de assistent-scheidsrechter dient tijdig zijn positie ter beoordeling van buitenspel te hebben ingenomen.

De hoekschop

• bal over de doellijn nabij de assistent-scheidsrechter: vlag rechtstandig omhoog en onmiddellijk naar de kwartcirkel wijzen na een pas teruggelopen te zijn van de kwartcirkel. Zodat scheidsrechter ook aan lichaamstaal/positie kan zien, dat er een hoekschop wordt gegeven;
• bal over de doellijn in de diagonaal van de scheidsrechter: vlagsignaal rechtstandig omhoog; scheidsrechter geeft hoekschop aan; daarna wijzend naar de kwartcirkel;
• bij twijfel: doelschop;
• bewaking 9.15 meter;
• controleren of de bal goed ligt;
• opstelling is achter de hoekvlag.

 

Overleg tijdens wedstrijd
• bij fysiek overleg tussen de scheidsrechter en een assistent-scheidsrechter aan de zijlijn richten beiden zich met het gezicht naar het speelveld op de zijlijn, hierbij geen spelers toelaten;
• de scheidsrechter laat het spel pas hervatten nadat de assistent-scheidsrechter zijn positie heeft ingenomen.

Opstootjes
• assistent-scheidsrechter komt niet nodeloos het speelveld in;
• indien daar aanleiding toe is, bijvoorbeeld bij massale opstootjes, begeeft assistent-scheidsrechter zich richting het opstootje en neemt een positie in waarbij hij optimaal kan waarnemen;
• assistent-scheidsrechter komt niet aan spelers of andere betrokkenen bij het opstootje.
• alvorens het spel te hervatten vindt er nog visuele afstemming plaats tussen scheidsrechter en assistent-scheidsrechter.

Verlaten speelveld
• beide assistent-scheidsrechters gaan richting de scheidsrechter en verlaten gezamenlijk het speelveld. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan in het belang van de situatie worden afgeweken.
Diversen
• bij gele kaarten altijd meeschrijven;
• in pauze gele kaarten checken met scheidsrechter;
• bij rode kaarten niet meeschrijven, maar blijven observeren;
• bij (tijdelijke) staking dient de assistent-scheidsrechter direct het volgende te noteren: de minuut van onderbreking, de plaats en de wijze waarop de spelhervatting moet plaatsvinden
• Gebruik piepsignaal:
- vooral bij situaties op eigen speelhelft;
- langs de gehele eigen zijlijn voor aangeven ingooi;
- in geval van aandacht vragen van de scheidsrechter;
- TERUGHOUDEND: op moment dat bal in of nabij strafschopgebied van de andere;

speelhelft is. Aangezien dit tot miscommunicatie kan leiden en de scheidsrechter zich in eerste instantie altijd zal richten op de assistent-scheidsrechter in die speelhelft.

 

#COVSlangstraat

Steun de COVS en koop hier

Adverteren
Hardloopaanbiedingen.nl | Dé online hardloopspecialist